De Innovatie Motor (heet niet NWO)

Het is alweer acht maanden geleden dat ministerie Verhagen het grote innovatieproject van dit kabinet aankondigde: de topsectoren. In tien teams is er in vier maanden tijd een nieuwe innovatie-agenda opgesteld  Er is van alles aan te merken op die topsectoren, maar de basisgedachte verdient wat mij betreft politieke steun. Die gedachte is dat het beleid voor economie en onderwijs kan helpen om innovatieve clusters te bouwen. Clusters in de klassieke, Porteriaanse zin:
• voldoende hulpbronnen en vaardigheden voor kritische massa die het mogelijk maakt om;
• een economische toppositie te bereiken in bepaalde branche;
• met duurzaam concurrentievoordeel ten opzichte van andere locaties.
In die klassieke definitie heeft Nederland op dit moment maar twee clusters: tuinbouw en Eindhoven. We zijn het er allemaal over eens dat er meer in moet zitten.
De winst van de topsectoren is dat er een oud-Hollandsch taboe wordt doorbroken.

Dat is het taboe van dat wij hebben rond wetenschappelijke onderzoek. Als je diep in de harten kijkt van de universitaire community in Nederland dan wil die iets heel simpels: veel geld, totale autonomie en een schijncriterium om te bepalen of we er als samenleving iets aan hebben. Dat schijncriterium is ‘publicaties’.

Met de komst van het topsectorenbeleid veranderen er twee dingen. De universiteiten krijgen nog steeds veel geld, maar de autonomie wordt iets minder en de maatschappelijke waarde wordt gemeten in innovatie. Althans, dat is het idee. En dat idee steun ik van harte. Maar nu de uitwerking. Daar hapert het.
De voorzitters van de topteams doen in hun gezamenlijke brief drie scherpe waarnemingen:
• In het onderzoek gaat iedereen vrolijk zijn gang. Gebrekkige regie, wordt dat eufemistisch genoemd;
• Er is een wildgroei van vele instituten en subsidieloketten;
• Er zijn allerlei goed bedoelde hulpconstructies. Die zijn nodig omdat er onvoldoende beloning is om echt samen te werken en topkwaliteit te leveren.

De tragiek is dat dit zijn geen nieuwe problemen zijn. Deze problemen bestaan al minstens dertig jaar. En de tragiek is: op papier zijn deze problemen al minstens vijf keer opgelost. Toen ik een jaar of zeven geleden secretaris van het Innovatieplatform was hebben we ze ook prima opgelost. Op papier.
Door het topsectorenbeleid te initiëren heeft dit kabinet een uitgelezen kans om het deze keer ook in de praktijk goed te regelen. En daarvoor is een vorm van governance (institutioneel arrangement + geldstromen + mensen) nodig die drie dingen tegelijk realiseert:
1. Beloning voor onderzoekers die ondernemen met hun kennis;
2. Concentratie van onderzoeksinspanningen op economische sterktes;
3. High tech starters en snel groeiende MKBers hebben minstens zoveel toegang tot kennis en budget als grote bedrijven.

Ik denk dat het kabinet en de kamer het met deze drieslag onmiddellijk eens zijn. Deze drie elementen vormen met elkaar de Innovatie Motor waar we al dertig jaar over praten.
Maar nu het probleem en de aanleiding voor dit artikel: hoe organiseer je dat? Hoe moet die Innovatie Motor er uitzien? Waar komt hij te staan? Wie is er de baas van? Wie doet het onderhoud? Welke brandstof? Dat doet er allemaal vreselijk toe. Mijn probleem met de oplossing die ik tot nu toe bespeur in de stukken is dat het gros van het werk richting NWO lijkt te gaan. En dat is een grote denkfout.

NWO doet goed werk, en NWO werkt goed waar het voor is opgericht. Alles binnen NWO is zo ingericht dat het kan doen wat het moet doen; zorgen dat het niveau van het Nederlandse onderzoek nóg beter wordt. Dus er zijn peer review commissies en inhoudelijke teams. Er is een staf die de taal van wetenschappers spreekt en die processen van peer review efficiënt en zakelijk begeleid. Er is advies over administratie en verantwoording, voor al die hele specifieke vragen die spelen rond onderzoek. En waarom het allemaal lekker werkt: de mensen die bij NWO werken snappen hoe universiteiten werken en hoe onderzoekers denken. Ze hebben aan twee woorden genoeg. Daarom is NWO een gestroomlijnde Excellente Wetenschap Motor die goed werkt. It’s the people, stupid!

Aan NWO vragen om ook innovatie voor haar rekening te nemen is vragen om problemen. Een ‘Excellente Wetenschap Motor’ ombouwen zodat het vanaf nu ook een ‘Innovatie Motor’ is, dat gaat niet werken. Het gaat om het combineren van twee tamelijk complexe competenties. Op zijn best levert dat povere middelmaat op. Het is zoiets als vragen aan een operazangeres om ook popmuzikant te worden, of een benzine motor ook geschikt te maken voor diesel.

Laten we de kwaliteit van NWO als startpunt nemen. Voor onze Innovatie Motor willen we review commissies voor business plannen en inhoudelijke teams die markten snappen. Een staf die de taal van ondernemers en R&D managers spreekt. Die review processen efficiënt en zakelijk begeleiden. Die advies geven over administratie en verantwoording van startups, voor al die hele specifieke vragen die spelen rond een nieuwe bedrijf. En waarom dit lekker gaat werken: omdat de mensen die bij de Innovatie Motor werken snappen hoe ondernemingen werken en hoe ondernemers denken. Ze hebben aan twee woorden genoeg. It’s the people, stupid!

Wat we nodig hebben is een organisatie naast NWO waar mensen werken met een achtergrond in het bedrijfsleven. Specifieker: een achtergrond in het starten van bedrijven en/of ervaring met R&D in een bestaand MKB-bedrijf of een multinational. We kunnen de kunst afkijken bij TEKES, de financieringsorganisatie voor innovatieprojecten in Finland. Een ander interessant programma is eDARPA in de VS, gericht op duurzame energie. We gaan ze alleen niet kopiëren, we gaan een echte Nederlandse Innovatie Motor bouwen. Waar mensen werken die weten hoe het er aan toe gaat in een bedrijf.
Als dat lukt gaat het topsectoren-beleid echt een grote impact hebben.

Ook te lezen op ScienceGuide